Megalomane thermometers, met uitgesproken ambitie om hun kwik naar hogere regionen te leiden tijdens hun levenspanne, beleven dé zomer van hun bestaan. De merrie in de verdroogde weide naast onze tuin, beschouwt de kwikhoudende buisjes met grootheidswaanzin echter tot haar aartsvijanden. Het ranke dier briest zowat om de twintig minuten. Een geluid dat ik herken uit mijn kindertijd wanneer ik samen met giechelende vriendinnetjes zo’n paard wilde nadoen en we eerst naar lucht hapten, vervolgens de lippen tegen elkaar brachten om daarna sputterend en speels de adem uit onze kaken te blazen. Dat een paard veel meer last heeft van deze hitte, en vatbaarder is voor de negatieve effecten van hittestress dan de mens, is algemeen bekend. En toch, hier zit ik dan onder de lommerrijke eikenboom in de hoek van de tuin, over paarden en hitte te schrijven terwijl ik het eigenlijk over manuscripten en schrijven en uitgevers moet hebben. De hittestress heeft mij duidelijk even hard te pakken. 

Alweer word ik afgeleid. Een zoemende hommel met een opvallend hoge BMI-waarde vliegt zonet pats tegen de blauwe pot waarin een magnolia geplant staat. Het mollige, harige insect kon dan misschien wel denken dat het de blauwe lavendel aan de voet van de bloembak tegemoet vloog maar deze herbergt een magnolia boom en daar valt dus echt niet naast te kijken.

Een picoseconde lang maak ik me de bedenking dat ik misschien beter chicklit romannetjes moet gaan schrijven in plaats van waargebeurde drama’s uit het leven. Aanzienlijk beter geschikt voor mijn eigen hart. Hoe fijn moet dat niet zijn om romantische feel good verhaaltjes te verzinnen? Zelfs al zou een vrouwelijke protagonist een helse zoektocht naar de ware liefde beleven, toch belooft het chicklit genre de miljoenen vrouwelijke lezers telkens weer het langverwachte romantische eind goed al goed. Zo’n schrijver kan zich onverstoorbaar laven aan onstuimige hete nachten, hongerige blikken en verzadigende hartstocht én kan dus in totale zorgeloosheid werken, zoals de gonzende hommel in mijn vizier.

[tweet_box design=”box_06″ float=”right” width=”40%”]”Niet strijden of willen dat iets anders is maar eenvoudigweg aanvaarden wat is!”[/tweet_box]

Zo’n luchthartigheid zou me nu goed kunnen van pas komen. Misschien is het dan ook niet toevallig dat mijn aandacht getrokken wordt naar de natuur, waarin alles gewoon zijn gangetje gaat, waarin niets te controleren valt, waarin alles gewoon is wat het is. De eenvoud van het leven openbaart zich onverbloemd voor mijn ogen: niet strijden of willen dat iets anders is maar eenvoudigweg aanvaarden wat is.

Ik kan het bonzende dilemma in mijn hoofd ook best maar even laten zijn voor wat het is: simpelweg een dilemma. De voorbije dagen verkeerde ik in dubio over het al dan niet (toch) op zoek gaan naar een uitgever of eerder zélf mijn boek uitgeven. In mijn vorige column schreef ik al dat ik mijn manuscript naar literair agenten had verstuurd, een bewuste keuze, omdat zíj de experten zijn en zíj beter dan wie ook “mijn perfecte uitgever-match” kunnen aanspreken. De stijl van de uitgeverij moet me namelijk op het lijf geschreven zijn, zowel voor wat mijn boek en missie betreft als voor mijn flamboyante, ondernemende persoonlijkheid. 

Maar of die match bestaat, mijn beste lezers, is dé hamvraag die mij al dagen hoorndol maakt.

Oorspronkelijk wilde ik namelijk helemaal niet publiceren via een uitgever. Gedurende mijn volledige schrijfproces was ik er rotsvast van overtuigd dat ik zélf als uitgever wilde fungeren, omdat ik zo mijn eigen ding kan doen bij mijn lancering én omdat ik veel te goed weet wat ik wil. Tot ik begin dit jaar enkele redacteurs contacteerde en overspoeld werd door allerhande weetjes uit de boekenwereld. Onder lichte dwang moest ik toen beslissen mijn aanpak te herzien gezien ik vernomen had dat boeken van zelf-publicerende schrijvers – en des te meer van debutanten – gewoonweg niet in de boekhandels terecht komen. De boekhandelaars kopen die niet in. Er is (zogezegd dan wel) geen potentieel. De onthutsende vaststelling dat ik drie jaar lang al mijn tijd en energie zou hebben geïnvesteerd in de creatie van mijn manuscript om het na publicatie niet eens in de boekhandels te krijgen, heeft me doen bezwijken. 

En hier zit ik nu, wachtend op feedback van de andere aangeschreven literair agenten terwijl de hitte mijn creatieve bron wel lijkt te hebben uitgedroogd. Ik krijg namelijk geen letter op papier omtrent het briesende geroezemoes in mijn hoofd, het brommende knagen in mijn geest dat mij de scheppingskracht ontneemt om deze column te schrijven zoals ik het zou willen. Er blijft me iets dwars zitten; namelijk het feit dat ik mezelf opzij zou zetten door te (moeten) buigen voor de opgelegde eisen van een ander, in dit geval een uitgever, en ik verdomd genoeg in dit leven heb doorstaan om dat voor mezelf nooit meer toe te staan. 

Bestaat de combinatie van het beste van de twee werelden dan niet? Mijn boek op de markt brengen via een perfect bij mij passende uitgever én toch mijn eigen (exuberante) stempel kunnen drukken?

Die vraag suist al dagen door mijn hoofd, en ik ga bewust daarnaar op zoek.  Al zal dat niet meer voor vandaag zijn. Nu richt ik mijn focus op de wonderen der natuur, die reeds het allerbeste in onze wereld biedt.