‘Tot ik de realiteit van de literaire uitgeverswereld onder ogen zag.’
Met die woorden beëindigde ik mijn vorige column, omdat ik op dat moment het boek Alweer een bestseller (Tips en belevenissen van twee literair agenten) van Paul Sebes en Willem Bisseling aan het lezen was en mijn ogen zich hoofdstuk na hoofdstuk alsmaar wijder opensperden.

Ja, mijn manuscript is af. Ja, ik heb er drie jaar aan gezwoegd. En ja, mijn boek is mijn baby geworden.
Zó belangrijk vind ik m’n creatie én mijn boodschap aan de wereld.
Omdat mijn verhaal miljoenen mensen ter wereld een hart onder de riem kan steken en hen de weg naar bevrijding kan tonen.

Is het dan niet meer dan logisch dat ik me – als debutant met een totaal nieuwe professionele ambitie – wil laten omringen door mensen met geschikte vakkennis?
Net omwille van die reden stuurde ik – inmiddels ruim een maand geleden – de eerste vijftig pagina’s van mijn manuscript naar enkele literair agenten in Nederland: ten eerste omdat dat beroep in België niet bestaat, maar des te meer omdat ik de focus voor mijn Nederlandstalig boek, in mijn moedertaal, vooral richt op de Nederlandse markt gezien onze noorderburen nu eenmaal aanzienlijk meer lezen dan mijn landgenoten. Ik heb de cijfers gezien. In mijn vaderland is de Franse taal echter minstens even belangrijk, en gezien mijn voormalig professioneel netwerk bestaat uit zowel Vlamingen als Walen, wil ik mijn boek heel graag tegelijkertijd ook in het Frans op de markt brengen. Daarover heb ik het nog in een van de volgende columns.  
Eén aangeschreven literair agent stuurde me twee weken nadien al een antwoord. Een afwijzing.
Op zich geen drama omdat ik steevast geloof in de levenswet dat wanneer ik een “nee” krijg, er ergens anders een veel betere “ja” op me wacht. Mijn leven bewijst dat telkens weer.

De agent die me afwees was niet de agent wiens boek ik aan het lezen was. Ik had namelijk bewust gekozen om mijn juweel niet naar Sebes & Bisseling op te sturen, omdat zij het grootste full service agency zijn in het Nederlandse taalgebied (en misschien zelfs wel van Europa, zoals ze over zichzelf schrijven). Ik ken het reilen en zeilen van dergelijke structuren maar al te goed – mijn vroegere carrière speelde zich voor 70 procent af binnen de Big 4 en andere Top 5 professional services firms. Hun focus ligt nu eenmaal op (zoveel mogelijk) geld verdienen bij (zoveel mogelijk) reeds bestaande klanten en gezien het belang dat ik stel aan mijn creatie heb ik geen zin om als nieuweling mijn manuscript een langzame, ongelezen dood te laten sterven op hun alsmaar gigantischer ophopende “slush pile”. Ik zoek eerder naar samenwerkingen met gedreven ondernemers, die van mijlenver potentieel kunnen ruiken, die om de haverklap met een nieuw – nooit eerder uitgesproken – creatief idee voor de dag komen en die niet bij elk vernieuwend idee dat ik naar voor schuif antwoorden met: ‘Zoiets kan niet, Aniana, wat jij zegt is onmogelijk!’
In mijn wereld kan álles; ook dat bewijst mijn leven telkens weer.

De afkeurende feedback van de agent in kwestie vond ik best hilarisch, en ik wist onmiddellijk – met de ontegensprekelijke zekerheid zoals de Aarde een siderisch jaar nodig heeft om een volledige omloop om de Zon te voltooien – dat dit agentschap niet het soort organisatie is waaraan ik mijn toekomst wilde verbinden. In zijn e-mail merkte hij als eerste punt mijn extreem enthousiasme op. Tja, moest ik niet in mezelf geloven, waar begin ik dan aan? Vervolgens schreef hij dat hun agentschap ontzettend selectief moet zijn, en ze niet volledig overtuigd zijn van de kwaliteit van het werk.

Dat literair agenten uitermate selectief moeten zijn, vind ik zelf absoluut noodzakelijk. Ik hanteer exact dezelfde kwaliteitsregels in alles wat ik onderneem. En zou ik die dag niet Alweer een bestseller aan het lezen geweest zijn, ik zou misschien nog geloofd hebben dat zelfs mijn vijfde versie nog niet kwalitatief genoeg was in de ogen van een literair agent.
Ik was die dag echter – net wel – de tips van de heren Sebes & Bisseling aan het consumeren, en moest na elk gelezen woord met lede ogen toezien wat er werkelijk gebeurt wanneer een schrijvers secuur uitgewerkt manuscript bij z’n uitgever belandt. Het literair duo beschrijft het als volgt: ‘Vergeet niet dat het eindproduct dat uiteindelijk in de winkel zal komen liggen sterk zal afwijken van wat jij aanvankelijk geschreven en aan je uitgever gestuurd hebt. Niet alleen de titel en omslag zullen afwijken, juist ook je tekst zal er na diverse redactierondes heel anders uitzien. Er zullen personages sneuvelen, verhaallijnen veranderen, in jouw ogen mooie zinnen en scènes verdwijnen en plotwendingen aangepast worden. Bedenk goed dat het altijd een compromis is wat uiteindelijk wordt uitgegeven. Misschien schokkend, maar waar.’

Misschien schokkend, maar waar?!
De moed zakte me in de schoenen.
Ik zeg je dat.
Omdat ik niet voor niets tot vijf keer toe mijn manuscript heb herschreven om mijn verhaal tot een levensecht kunstwerk te slijpen maar evenzeer om elk woord, elke alinea, te schaven tot mijn proza – in mijn veeleisende ogen – de allure kreeg van een autobiografische literaire roman. Ik las verder dat slechts gemiddeld tien fictie- en twintig non-fictiedebuten van de duizend ingezonden en toegeschoven manuscripten per jaar de eindstreep halen. Een mens zou voor minder de moed verliezen.
Ik stelde me trouwens de vraag of een literair agent of uitgever dan ooit wél “volledig overtuigd is van de kwaliteit van een werk”?
Want zeg nu zelf; zouden ze het werkelijk in hun hoofd halen om een totaal nieuw boek te boetseren uit een manuscript waar zij reeds voor de volle 100 procent achter staan? Gekker kan het toch niet worden?

Dat er bovendien ettelijke mensen hun zeg willen doen over een schrijvers dierbare creatie, las ik zowel in het boek als in de e-mail van de afwijzende agent. Bij een gerenommeerde uitgeverij moet bij elke trede naar publicatie, zo schreef hij, de uitgever en de redacteur, dan de sales manager, de PR-medewerker, de verkoper, de boekhandel, en dan nog eens de lezer zelf overtuigd worden van hoe belangrijk nu juist dít boek is. En net daaróm hanteert dit agentschap strikte richtlijnen waarbij elke schrijver gevraagd wordt de synopsis, biografie en beschrijving van de personages onderdanig in de voorziene vakjes op hun website te noteren.
Dat een agentschap die informatie nodig heeft, is logisch. Ik had echter een originelere benadering gehanteerd om de gevraagde zaken ‘verrassend’ weer te geven, maar m’n inventieve aanpak zinde deze literair agent overduidelijk niet. ‘We snappen dat het interessant lijkt om iets anders te sturen dan wat we vragen, maar die richtlijnen hanteren wij met een reden.’
Ik hou helemaal niet van beperkende regeltjes en hokjesmentaliteit; hoe kan zoiets ooit tot vernieuwing leiden?
Daarom schreef ik een begeleidend schrijven onder de vorm van een brief, gericht aan de
fictievetoevallige vinder’ van dat (zo schreef ik) voor mij weliswaar, uiterst moeizaam te schrijven en zeer nauw aan het hart liggend document. Ik ging verder als volgt: “Beste medemens, hoé u mijn (wellicht) laatste neergepende woorden in handen hebt gekregen, zal mijn minste zorg wezen. Ik zal het niet meer weten. Ik zal ofwel in de vergetelheid beland zijn – zoals mijn lieve moedertje – ofwel zal ik inmiddels van de aarde verdwenen zijn en is mijn schriftuur duidelijk een langere levensduur beschoren dan mezelf. Wáár u deze private nota gevonden hebt, van wie u die ontvangen of geërfd hebt of uit welk archief u die opgediept of misschien wel gestolen hebt, zal mij – gezien mijn vergane toestand – evenmin boeien. Wát u met uw zopas gevonden vondst wil aanvangen, is me echter van bijzonder groot belang. Wanneer u dit leest én bij deze brief een tweede pakket van zo’n vijftig geschreven bladzijden vindt, dan is het ergste gebeurd. Dan ben ik in hetzelfde straatje als mijn moeder beland.”

Elk mens die meemaakt wat ik heb meegemaakt, zal beamen dat wij lotgenoten nooít – werkelijk nooít – over onszelf zullen durven zeggen of schrijven dat ook wij vatbaar zijn voor die onwezenlijke ziekte van Alzheimer. Nooit. Omdat wij de horror van zo’n leven in de ogen hebben gekeken.
Mijn begeleidend schrijven – een spannende essay op zich – getuigde dan ook van ongezien lef; zonder twijfel onbevattelijk voor degene voor wie de ziekte niets meer is dan een benaming in het medisch jargon. Mijn begeleidend schrijven getuigde van durf, van verbeeldingskracht en gaf meteen de intensiteit aan waarmee mijn boek geschreven is.
Maar gezien ik de regeltjes niet had gevolgd, kreeg ik als antwoord dat niemand op de literaire trapladder mijn 3000 woorden zou hanteren om te beslissen of ze mijn werk al dan niet willen uitgeven.

Ik zocht in Alweer een bestseller gretig naar een hoofdstuk over het insturen van je manuscript en vond ook daar: ‘Doe vooral niet leuk of origineel. Wees formeel en netjes, en houd je aan de procedures. Dan is de kans op succes groter.’
Ik zat aan de grond genageld, al lang niet meer door de afwijzing van mijn manuscript, maar des te meer omwille van de absurditeit waarin ik was beland.

Gaat schrijven dan niet om grensverleggende creatie?
Om het scheppen van noviteiten?
Om een uniek werk te laten voortspruiten uit een al even uniek mens?

Wordt vervolgd.